Waarom bouwbedrijven wegblijven van grote aanbestedingen

Waarom bouwbedrijven steeds vaker ‘nee’ zeggen tegen grote aanbestedingen

"Past niet in onze planning." Het is een zinnetje dat de laatste tijd als een echo door de bestuurskamers van de Nederlandse bouwgiganten klinkt. De Van Brienenoordbrug? Geen animo. Grote infraprojecten bij Rijkswaterstaat? De ene na de andere aannemer haakt af. De publieke opinie is snel met haar oordeel: de bouwsector is verzadigd, de zakken zijn vol en de 'werkhonger' is verdwenen. Maar wie dieper graaft, ziet een heel andere realiteit. Een realiteit waarin gezonde bedrijven weigeren deel te nemen aan een Russisch roulette van contracten.

Inhoudsopgave

“Past niet in onze planning”, het klinkt als een nette, zakelijke afwijzing. Maar in de wereld van grote publieke bouw- en infraprojecten is het inmiddels veel meer dan dat. Het is een alarmsignaal.

Neem de Van Brienenoordbrug. Eind 2022 startte Rijkswaterstaat de aanbesteding voor de vernieuwing van deze cruciale verbinding bij Rotterdam. Begin 2024 werd die aanbesteding stopgezet. Niet omdat het project niet belangrijk was. Niet omdat de brug ineens minder urgent was. Maar omdat zich slechts één partij had aangemeld en gaandeweg duidelijk werd dat de gekozen aanpak grote risico’s met zich meebracht én een prijsniveau opleverde dat voor het Rijk niet te bekostigen was. 

Dat is geen incidentje. Dat is een signaal dat er iets fundamenteel schuurt tussen publieke opdrachtgevers en de markt.

Want als grote, ervaren aannemers steeds vaker afhaken bij projecten die Nederland hard nodig heeft, moeten we niet alleen vragen: “Waarom schrijft niemand in?” We moeten vooral vragen: “Wat maakt deze projecten blijkbaar zo onaantrekkelijk dat gezonde bedrijven liever nee zeggen?” Die vraag raakt aan veel meer dan capaciteit. Ze raakt aan risicoverdeling, contractvormen, tenderkosten, vertrouwen en de manier waarop wij in Nederland grote projecten organiseren.

De makkelijke verklaring is snel gemaakt: de bouw heeft genoeg werk, de orderboeken zitten vol en de werkhonger is verdwenen. Maar die verklaring is te simpel.

Natuurlijk speelt capaciteit een rol. De infra-, energie- en woningbouwsector vragen allemaal om mensen, materieel en aandacht. Maar wie alleen naar drukte kijkt, mist de kern. Bouwbedrijven zeggen niet massaal nee omdat ze geen zin meer hebben om te bouwen. Ze zeggen nee omdat de verhouding tussen risico, beloning en beheersbaarheid steeds vaker uit balans is.

Dat zie je ook aan het vervolg rond de Van Brienenoordbrug. Rijkswaterstaat koos na de afgebroken aanbesteding niet simpelweg voor “nog een keer hetzelfde proberen”. Het project wordt nu in vier contracten op de markt gebracht, met een andere risicoverdeling die aantrekkelijker moet zijn voor de markt en naar verwachting tot een acceptabeler resultaat leidt. 

Daar zit de echte les. De markt is niet bouwmoe. De markt wordt risicobewuster. Aannemers willen best bouwen. Ze willen bruggen vernieuwen, tunnels renoveren en Nederland bereikbaar houden. Maar ze willen niet langer instappen in projecten waarin ze voor een vaste prijs verantwoordelijk worden gemaakt voor risico’s die ze nauwelijks kunnen overzien, laat staan beheersen.

En eerlijk gezegd: dat is geen gebrek aan ambitie. Dat is professioneel opdrachtgeverschap aan de andere kant van de tafel afdwingen. Want een gezonde sector zegt niet overal ja op. Een gezonde sector durft ook te zeggen: onder deze voorwaarden doen wij niet mee.

Als coach van de allerbeste projectleiders in Nederland en België zit ik in de haarvaten van deze sector. Ik spreek dagelijks de mensen die met de poten in de modder staan en degenen die de complexe puzzels van de grote infra moeten leggen. Ik zie iets anders dan gebrek aan werkhonger. De mensen in deze sector willen bouwen. Ze willen projecten realiseren, Nederland bereikbaar houden en complexe puzzels oplossen. Maar steeds vaker trekken bouwbedrijven een grens. Niet omdat ze niet willen werken, maar omdat de voorwaarden waaronder ze moeten inschrijven te risicovol zijn geworden.

Dit gaat niet alleen over aanbestedingen. Dit raakt aan de kern van goed projectmanagement: realistische risicoverdeling, heldere scope, vertrouwen en samenwerking vanaf de start. Want als het fundament van de samenwerking wankelt, gaat vroeg of laat het hele project schuiven. De terugloop in inschrijvers is geen losstaand probleem. Het is het gevolg van een aantal dieperliggende oorzaken die elkaar versterken.

Onrealistische risicoverdeling Waarom de vaste prijs bij infraprojecten niet meer werkt

Rond de eeuwwisseling vond er een fundamentele verschuiving plaats in hoe de overheid (de opdrachtgever) en de markt (de opdrachtnemer) met elkaar omgingen. Voorheen was de staat grotendeels verantwoordelijk voor financiële tegenvallers bij grote infraprojecten. Logisch, want de staat is de eigenaar en de uiteindelijke belanghebbende. Maar het roer ging om: risico’s moesten ‘in de markt’ worden gelegd.

De opkomst van geïntegreerde contractvormen, waaronder DBFM-contracten (Design, Build, Finance and Maintain)., paste in die beweging. De belofte aan de belastingbetaler was prachtig: één vaste prijs voor het ontwerp, de bouw, de financiering en het onderhoud voor twintig of dertig jaar. Geen verrassingen meer voor de schatkist.

De bittere praktijk. Het klinkt als een waterdicht plan, maar de praktijk is een moeras geworden. Grote infrastructurele projecten zijn per definitie onvoorspelbaar. Je werkt in een levend landschap met veranderende bodemgesteldheid, archeologische vondsten, wijzigende stikstofregels en omgevingseffecten die niemand tien jaar geleden kon voorzien.

Wanneer je een aannemer dwingt om al deze onbekende variabelen voor een vaste prijs af te kopen, vraag je hem eigenlijk om te gokken. In een sector waar de winstmarges schommelen tussen de 2 en 3 procent, is er geen ruimte voor fouten. Eén grote tegenvaller, bijvoorbeeld een bodemvervuiling die niet in het rapport stond, en de volledige winst van een vijfjarig project verdampt. Sterker nog: het bedrijf kan erdoor in de gevarenzone komen. Grote aannemers zijn geen casino’s; ze kiezen er nu simpelweg voor om dit onverantwoorde spel niet meer te spelen.

Voor projectleiders betekent dit dat zij al vóór de start met een achterstand beginnen. Ze krijgen niet alleen een technisch project, maar ook een contractueel mijnenveld mee.

Vraag een willekeurige projectleider waarom hij het vak is ingegaan, en hij zal zeggen: “Ik wil iets maken. Ik wil een brug zien verrijzen, een tunnel zien glimmen.” Vraag hem waar hij nu 70% van zijn tijd aan besteedt, en het antwoord is deprimerend: “Dossiervorming.”

Omdat de contracten zo dichtgetimmerd zijn en de marges zo flinterdun, is elke wijziging in het ontwerp of de uitvoering een potentieel conflict geworden. Meerwerk claimen is niet langer een gesprek over de inhoud, maar een juridische loopgravenoorlog.

De cijfers liegen niet Het aantal rechtszaken over meerwerk en contractinterpretaties in de afgelopen drie jaar is schrikbarend: het staat gelijk aan het totaal van de 46 jaar daarvoor (Zie bron Lexman.nl @theo). We zijn beland in een situatie waarin wantrouwen de standaard is. De aannemer moet tot achter de komma bewijzen dat een wijziging onvoorzienbaar was, dat hij op de seconde nauwkeurig heeft gewaarschuwd en dat de kosten een bepaald drempelpercentage overstijgen.

Dit vreet aan de mensen. De beste projectleiders verlaten de grote infra omdat ze geen zin hebben om ‘contract-politieagent’ te spelen. Ze willen oplossingen bedenken voor de techniek, niet voor de juristen. Het systeem put de menselijke maat uit, en dat is misschien wel het grootste kapitaalverlies van de sector.

Wat veel mensen buiten de bouwkolom niet beseffen, is hoe idioot duur het is om alleen al mee te doen aan een aanbesteding. Voor een project als de Van Brienenoordbrug moet een consortium, een samenwerking van verschillende bedrijven, maandenlang fulltime aan de slag.

Er moeten voorlopige ontwerpen worden gemaakt, technische risicoanalyses worden uitgevoerd, complexe financiële rekenmodellen worden gebouwd en juridische kaders worden getoetst. De kosten hiervoor lopen moeiteloos in de miljoenen euro’s. En dat is geld dat een bedrijf kwijt is als het de opdracht niet krijgt.

Stel je voor dat je als bakker elke week vijf taarten moet bakken om te bewijzen dat je de beste bent, maar je krijgt alleen betaald als de klant jouw taart kiest. De andere vier taarten kun je weggooien, inclusief de uren en ingrediënten. Dat houdt niemand vol. Zeker niet als de orderboeken al vol zitten met projecten waar de voorwaarden wél redelijk zijn. Waarom zou je miljoenen riskeren in een tenderproces dat aanvoelt als een loterij met een slecht winstperspectief?

 

Hoge tenderkosten schrikken aannemers af bij publieke opdrachten

De marktcijfers laten een zorgwekkende trend zien. In 2017 schreven gemiddeld nog bijna zeven partijen in op een groot publiek werk. Begin 2024 is dat aantal gedaald naar iets meer dan vier. Het aantal aanbestedingen waarbij er nog maar één enkele inschrijver overblijft, is in diezelfde periode verdubbeld.

Dit is een neerwaartse spiraal. Wanneer er minder inschrijvers zijn, neemt de marktwerking af. De partijen die nog wél aan tafel zitten, worden kieskeuriger. Ze voelen de macht verschuiven. Ze zeggen: “Ik doe mee, maar alleen onder mijn voorwaarden.”

De overheid staat met de rug tegen de muur. Aan de ene kant willen ze de risico’s blijven afschuiven, aan de andere kant hebben ze de markt harder nodig dan ooit om de verouderde Nederlandse infrastructuur te renoveren. De ‘werkhonger’ is niet weg, maar de markt heeft simpelweg ontdekt dat ze kan kiezen voor gezondere alternatieven.

We focussen ons vaak op de techniek. “De brug is te complex,” horen we dan. Maar dat is onzin. Nederland heeft technisch enorm veel in huis. Aan kennis, ervaring en ingenieurskracht ontbreekt het meestal niet. Waar het misgaat, is de systeemkant. Projecten mislukken vrijwel nooit op de techniek; ze mislukken op de randvoorwaarden.

Een contract dat is gebouwd op wantrouwen, zal onvermijdelijk een samenwerking vol conflicten produceren. Dit ‘faalkosten-systeem’ kost de samenleving klauwen met geld. De belastingbetaler denkt dat hij goedkoper uit is door risico’s bij de aannemer te leggen, maar betaalt uiteindelijk de rekening via jarenlange juridische procedures, vertragingen en projecten die halverwege stilvallen.

Het is tijd om te erkennen dat een eenzijdige verschuiving van risico’s naar de markt de stabiliteit van onze vitale infrastructuur in gevaar brengt. Het negeren van de systeemkant is geen zakelijkheid, het is struisvogelpolitiek.

Systeemfalen in de bouwsector vraagt om een fundamentele omslag

Gelukkig gloort er licht aan de horizon. Er zijn steeds meer geluiden, ook vanuit Rijkswaterstaat en andere grote publieke opdrachtgevers, dat het roer om moet. We zien de opkomst van nieuwe contractvormen, zoals de ’twee-fasen-aanpak’.

In deze aanpak worden gunning en de definitieve prijsvorming deels losgekoppeld. De opdrachtgever en de aannemer trekken eerst samen op om de risico’s in kaart te brengen en de scope van het project scherp te krijgen. Pas als er wederzijds begrip is over wat er moet gebeuren en wat de onzekerheden zijn, wordt het definitieve contract getekend.

Dit is geen revolutie, dit is simpelweg eerlijk en volwassen projectmanagement. Het is een terugkeer naar de menselijke maat, waarbij de risico’s worden belegd bij de partij die ze het beste kan beheersen, in plaats van de partij die de zwakste onderhandelingspositie heeft. In de twee-fasen-aanpak heb je een ander type projectleider nodig: niet de vechter, maar de verbinder die de scope kan uitonderhandelen.

Wat dit mij leert als coach van projectleiders. In de Projectleiders Academie leer ik mijn deelnemers dat een project niet begint bij de eerste paal in de grond. Het begint bij de vraag: klopt het fundament van de samenwerking?

  • Is de risicoverdeling eerlijk?
  • Is de scope realistisch voor het budget?
  • Is er ruimte voor het onvoorziene (want dat komt er)?
  • Is de samenwerking gebouwd op vertrouwen of op angst?

Als het antwoorden op deze vragen ‘nee’ is, dan is het afwijzen van een project geen teken van zwakte of gebrek aan ambitie. Het is een teken van professionaliteit. Het is de verstandigste keuze die een bedrijf kan maken voor haar eigen gezondheid en voor het welzijn van haar medewerkers.

De twee-fasen-aanpak als weg naar eerlijk projectmanagement

De lege tafels bij aanbestedingen zijn een luid alarmsignaal. Het is geen kwestie van ‘geen zin hebben in werk’, maar van ‘geen zin hebben in zelfmoordmissies’. Als we willen dat onze bruggen, tunnels en wegen ook in de toekomst veilig en betrouwbaar blijven, moeten we stoppen met het behandelen van infraprojecten als een juridisch steekspel.

We hebben behoefte aan een overheid die weer partner wordt in plaats van tegenstander. We hebben behoefte aan contracten die ruimte laten voor vakmanschap in plaats van alleen voor paragrafen. En bovenal hebben we behoefte aan het besef dat bouwen een teamsport is.

De werkhonger is er nog steeds. Nu de gezonde maaltijd nog.

Wat denk jij? Ligt de oplossing bij een radicale verandering van de overheid als opdrachtgever, of moet de bouwsector zelf meer eenheid vormen tegen onredelijke eisen? Ik ben benieuwd naar jouw ervaringen uit de praktijk. Laat het ons weten!

Sharing is caring ;)

Volg je ons al op Linked In?

Meer waardevolle inzichten?

Waarom bouwbedrijven wegblijven van grote aanbestedingen

Waarom bouwbedrijven steeds vaker ‘nee’ zeggen tegen grote aanbestedingen

"Past niet in onze planning." Het is een zinnetje dat de laatste tijd als een echo door de bestuurskamers van de Nederlandse bouwgiganten klinkt. De Van Brienenoordbrug? Geen animo. Grote infraprojecten bij Rijkswaterstaat? De ene na de andere aannemer haakt af. De publieke opinie is snel met haar oordeel: de
Nederlandse megaprojecten ontsporen

De anatomie van het falen: Waarom Nederlandse megaprojecten ontsporen en de harde lessen voor jouw project

Nederlandse megaprojecten falen zelden door techniek, maar door wensdenken, uitstel van slecht nieuws, schijncontrole en gebrekkige samenwerking. Aan de hand van bekende voorbeelden laat deze blog zien waarom projecten ontsporen en welke leiderschapslessen projectleiders daaruit kunnen trekken. Zo voorkom je dezelfde fouten in jouw eigen project. 
blog communiceren communicatie verbeteren samenwerken

Waarom jouw ‘nee’ de redding is van je project:

Altijd ‘ja’ zeggen lijkt behulpzaam, maar ondermijnt je project, je team en jezelf. Dit artikel laat zien waarom grenzen stellen essentieel is voor goed projectleiderschap. Je leert de psychologie achter pleasen, de risico’s van scope creep en concrete technieken om professioneel ‘nee’ te zeggen zonder de relatie te schaden.

Heb je een vraag?

Projecten soepel laten verlopen?